Leerlijn fysiek
Leerlijn fysiek
“When your goal becomes clear, you will know that you must put your energy to its most effective use, in order to achieve that goal. If you have not established the goal of physical education, it will be unclear how to put your energy to its most effective use.” (Mind over Muscle, writings from the founder of judo Jigoro Kano, 2005)
Jigoro Kano, grondlegger van het judo, beschreef judo als een middel om fysieke ontwikkeling te bevorderen. Wil je levenslang sporten, dan is een goeie fysieke ontwikkeling essentieel. Beheers je de basisbewegingsvaardigheden, dan is je fundament gelegd voor de rest van je leven. Dat blijkt uit wetenschappelijke literatuur, en geldt ook voor het judo.
Via de leerlijn fysiek willen we het vaardigheidsniveau van judoka’s verhogen. Dit doen we door in te spelen op coördinatie, kracht, flexibiliteit, snelheid en uithouding. Deze fysieke eigenschappen combineren we met bewegingsvaardigheden, judovaardigheden en techniek.
Daarbij zetten we in op een brede sportontwikkeling. Beschikken kinderen over een brede basis, dan krijgen ze later complexere vaardigheden sneller onder de knie. Een brede waaier aan bewegingen en sporten komt vooral hun coördinatie ten goede. Iets wat in het judo goed van pas komt. Bovendien vermindert variatie in oefeningen de kans op overbelasting en blessures. En last but not least: door af te wisselen blijft het plezant. En wat plezant is, blijf je langer doen.
Gebaseerd op wetenschappelijke inzichten
Voor de uitwerking van de leerlijn fysiek baseerden we ons op het youth physical development model (YPD-model). Dat model brengt de trainbaarheid van het lichaam in kaart. Het baseert zich daarvoor op de biologische leeftijd, die wordt ingedeeld in vier groeifasen: vroege kindertijd, kindertijd, puberteit en volwassenheid. Per groeifase verschilt de belastbaarheid van het lichaam, en de manier waarop het lichaam reageert op een trainingsstimulus.
Alle fysieke eigenschappen kan je in eender welke ontwikkelingsfase trainen. De manier waarop het lichaam reageert, verschilt naargelang de groeifase.
2. Start vroeg
Kinderen starten best zo vroeg mogelijk met fysieke training, vanaf het moment dat ze in staat zijn om instructies te volgen.
3. Geef voorrang aan spierkracht en motorische competentie
Weliswaar op een behoedzame en ontwikkelingsgerichte manier.
4. Werk van fundamenteel naar specifiek
Op jonge leeftijd of bij de start van een trainingsprogramma ligt de focus op fundamentele bewegingsvaardigheden. Later, tijdens de adolescentie, komen meer sportspecifieke vaardigheden aan bod.
5. De structuur van de training neemt toe met de tijd
Aanvankelijk worden de verschillende eigenschappen spelenderwijs getraind, samen en ervaringsgericht. In de latere groeifasen neemt de structuur toe en worden de verschillende eigenschappen meer geïsoleerd getraind.
6. Individualiseer
Pas de training aan de groeifase en getraindheid aan en hou rekening met de technische competentie van het individu.
7. Begeleid door een specialist
Ontwikkelingsgericht trainen vereist inzicht in de fysiologische en psychologische ontwikkeling van kinderen, kennis van trainingsleer en sterke pedagogische vaardigheden.
Geruggesteund door Vlaamse ervaring en expertise op de mat
In het groeiplan van Judo Vlaanderen vertalen we dit YPD-model naar een judospecifiek model voor onze judoka’s. Niet louter opgesteld vanuit een wetenschappelijke studie dus, maar rekening houdend met gegevens en ervaring van Vlaamse experten en trainers op de mat.
Het brengt de verschillende eigenschappen in kaart die we doorheen de judoloopbaan trainen. Om te groeien naar een levenslange judobeoefening, en eventueel door te stromen naar topjudo. Componenten van coördinatie, kracht, flexibiliteit, snelheid en uithouding brengen we in dit model samen.
De mate waarin het lichaam belasting aankan. Vermindert bij kinderen in piekgroei. Pezen, ligamenten, botten en spieren zijn dan gevoeliger voor blessure.
Verschillende bewegingsvaardigheden efficiënt kunnen uitvoeren.
Bewegingen nauwkeurig kunnen uitvoeren, doordat je zintuigen, zenuwstelsel en spieren samenwerken en op elkaar inspelen. Een goede coördinatie geeft aan dat de hersenen de spieren juist aansturen.
Om judogrepen en –worpen goed uit te voeren, zijn snel leren bewegen en snel bewegingen starten en afremmen in verschillende richtingen belangrijk. Het meerjarenontwikkelingsplan benadrukt drie vormen van snelheid: richtingsverandering, wendbaarheid en afremmen en herstellen. Die bepalen of een judoka behendig van richting kan veranderen, vlot kan draaien en soepel kan ontwijken. Zo kom je tot een vloeiende techniekuitvoering.
Soepele spieren (lenigheid) en beweeglijke gewrichten (mobiliteit). Kinderen zijn erg flexibel, maar naarmate ze ouder worden, vermindert hun flexibiliteit.
Heb je een goede aerobe uithouding, dan kan je inspanningen van relatief lage intensiteit, zoals wandelen of rustig lopen, lang volhouden. Bij anaerobe uithouding geldt het omgekeerde: dan kan je inspanningen met hoge intensiteit lang volhouden. Aerobe en anaerobe uithouding zijn met elkaar verbonden, en afhankelijk van leeftijd en getraindheid van de judoka. De grepen en worpen in het judo vragen voornamelijk anaerobe inspanning. Tijdens training mag je echter die anaerobe drempel niet steeds gaan opzoeken, maar eerder de aerobe basis uitbouwen. Want hoe sterker die aerobe basis, hoe sterker ook je anaerobe uithouding wordt. (*)
Weerstand overwinnen via spiercontractie. Functionele krachttraining kan je in alle ontwikkelingsfasen trainen. Vooral door oefeningen met eigen lichaamsgewicht en met een lage belasting, gecombineerd met oefeningen die bewegingspatronen en lichaamsstabiliteit verbeteren. Krachttraining met weerstand komt pas in de latere fases aan bod.
(*) Door de nadruk te leggen op de aerobe basis, wijken we bij Judo Vlaanderen af van de algemene wetenschappelijke literatuur, die stelt dat anaerobe uithouding al vroeg getraind kan worden. We hebben gemerkt dat judo in Vlaanderen te vaak te intensief aangeboden wordt. Uit ervaring met topsporters weten we dat judoka’s een sterke aerobe uithouding nodig hebben, die de basis vormt voor het latere anaerobe werk, maar vooral ook een algemene gezonde fysieke ontwikkeling van de judoka bevordert.
Motoriek en fysieke eigenschappen
Motoriek is het vermogen om verschillende bewegingsvaardigheden efficiënt uit te voeren. In het judo maken we een onderscheid tussen basisbewegingsvaardigheden en judovaardigheden.
12 basisbewegingsvaardigheden
Basisbewegingsvaardigheden zijn de bewegingen die jonge kleuters als eerste leren. Volgens het Multimove-programma van Sport Vlaanderen zijn het er 12:
- Wandelen en lopen
- Klimmen
- Zwaaien
- Roteren
- Glijden
- Springen en landen
- Vangen en werpen
- Slaan
- Trappen
- Dribbelen
- Heffen en dragen
- Trekken en duwen
Judovaardigheden
Judovaardigheden zijn de bewegingen en vaardigheden die je nodig hebt om judotechnieken goed te kunnen uitvoeren. Ze vormen de basis voor het leren van technieken, alleen en per twee. Denk aan houdingen (shisei), verplaatsingen (shintai), evenwichtsverstoringen (kuzushi)…
Basisbewegingsvaardigheden en judovaardigheden kan je trainen vanaf de kindertijd. Zorg er wel voor dat je kinderen op verschillende manieren prikkelt, en niet meteen focust op judohoudingen, – worpen en –grepen. Veel trainers willen snel complexe technieken aanleren, om snel te kunnen winnen bij wedstrijden. Maar een brede basis van algemene motorische competenties is eigenlijk veel belangrijker, zeker in de vroege ontwikkelingsfasen. Judoka’s met een brede basis zullen later sneller en makkelijker complexe houdingen, worpen en technieken onder de knie krijgen. Plus, veelzijdig trainen is ook gewoon plezanter trainen.
In de matrix hieronder zie je hoe je basisbewegingsvaardigheden en fysieke eigenschappen kan combineren die de basis vormen voor latere judovaardigheden. Het oefenen van deze basisbewegingsvaardigheden in combinatie met de verschillende fysieke eigenschappen verbetert het algemeen bewegingsvaardigheidsniveau en vormt zo een voorbereiding voor de judovaardigheden en -techniek.
Hebben judoka’s hun basisbewegingsvaardigheden onder de knie, dan kan je gaan inzetten op judovaardigheden. Elke judovaardigheid kan je combineren met een fysieke eigenschap. Dat zie je in de matrix hieronder. Door alle fysieke eigenschappen aan bod te laten komen tijdens training, zullen judoka’s hun judospecifieke bewegingsvaardigheidsniveau verbeteren en technieken succesvol leren en toepassen.